|
Oude kapel
Waar de oudste, verdwenen Lieve-Vrouwe-Broederschapskapel zich bevonden heeft is onbekend. Wel weten we dat er in de jaren 1407-1408 begonnen is met een nieuwe kapel, op de plaats van de huidige buitenste noordelijke koorbeuk.De oudste resten van de architectuurpolychromie in de Lieve-Vrouwe-Broederschapskapel behoren tot de zogenaamde 'zwarte periode' (ca. 1420). Op de twee westelijke scheibogen tussen de kapel en de koorzijbeuk en op de scheiboog naar het noordtransept is een zwarte beschildering teruggevonden met een rode contourlijn, zoals men die ook aantreft in de koorbeuken. Tot deze periode behoort waarschijnlijk ook de geschilderde tracering met cirkels en visblazen op het westelijk muurvlak boven de scheiboog naar het noordtransept. Passerpunten en constructielijnen van het geometrisch patroon waren bij de ontdekking in 1978 als inkrassing in de zachte kalk nog duidelijk herkenbaar. De tracering is ingekleurd met witte en okerkleurige kalk. Onder de tracering was oorspronkelijk nog een steenblokverband geschilderd met voegen in wit en rood. Deze decoratie heeft men bij de restauratie weer overgewit om 'de tracering weer geheel tot haar recht te laten komen'.86 Nieuwe kapel
De nieuwe beschildering van de Lieve-Vrouwe-Broederschapskapel, die tussen 1480 en 1496 aan de noordzijde van de oude kapel werd gebouwd, werd uitgevoerd rond 1516-1517, kort na de beschildering van het gewelf van het noordtransept. Toen kreeg `Willem die Maelder' opdracht om met zijn knechten de kapel te 'witten'. Misschien behoorde hier ook het polychromeren bij.87In 1702 werden de schilderingen mogelijk 'gerestaureerd'. Toen werd aan Sara Oucoop een somma van 38 gulden en 8 stuivers betaald voor hetgeen Jan Oucoop verdiend had met het schilderen van het wulfsel in het `L.V. Choor'.88 Het zou kunnen zijn dat het hier uitsluitend het witten betreft waarbij de ornamentele beschildering gespaard moest blijven, maar anderzijds wordt voor het 'witten' van het koor (zonder dat expliciet het gewelf genoemd wordt) een opdracht gegeven aan Adriaen van Toll.89 Tijdens de restauratie van 1978 kwam op de gewelfvelden de oorspronkelijke ornamentele beschildering te voorschijn. De beschildering was echter niet overal meer aanwezig. Op diverse plaatsen was de beschildering verpoederd of geheel losgeraakt van de ondergrond. Op de tweede en derde travee (vanaf het westen) was de schildering geheel verdwenen, ongetwijfeld ten gevolge van het instorten van deze gewelven in 1689.90 Op de ribben, scheibogen en muraalbogen was op een dunne kalklaag een beschildering in Engels rood aangebracht (vgl. koorgewelf). Waar de ribben van het netgewelf | 77 |
|
zich kruisen zijn andere kleuren aangebracht: blauw, gele oker, lichtgroen en grijs. De beschildering op de gewelfvelden bestaat uit een ornamentatie van krullende groene bloemstengels, rood en groen gekleurde bladeren en lichtblauwe bloemen. Rondom deze ranken bevinden zich zwarte contouren. | 78 |
| Noten | |
| 86. | Peeters o.c. (noot 1), p. 313. |
| 87. | Peeters o.c. (noot 1), p. 296 veronderstelt dat 'wit' meer op de kalkverf dan op de kleur bertekking zou kunnen hebben. |
| 88. | Peeters o.c. (noot 1), p. 62. |
| 89. | Peeters o.c. (noot 1), p. 62. |
| 90. | Peeters o.c. (noot 1), p. 27. |
Paul le Blanc, Kerk in kleur (2002) 77-78
|
Met zekerheid kan gesteld worden, dat de beschildering van de Lieve Vrouwe Broederschapskapel in of kort na 1516-1517 uitgevoerd werd. Dat geeft een uiterste terminus post quem voor de vernieuwing van de gewelfpolychromie van het koor, want het ribbenstelsel van deze kapel is terstond met Engels rood op een dunne kalklaag bezet. Het zware decor had dus afgedaan en het rood voor de ribben en het kleurige blad-, bloemen rankenwerk voor de gewelfschilden zijn wellicht de keuze van Alart du Hamel geweest, die misschien al wat eerder de overwelving van het noordtransept ook op deze manier had laten beschilderen. Tot de ‘zwarte periode’ (± 1420) behoort slechts de beschildering van het tweetal westelijke scheibogen tussen kapel en koorzijbeuk en de scheiboog naar het noordtransept, die bogen dus waarbij de uitbouw met schuine muur van Willem van Kessel behoorde, waarvan in 1982 de fundamenten gevonden werden. Deze zwarte bogen waren, zoals elders in de koorbeuken, van een rode contourlijn voorzien.119 Op het westelijk muurvlak, boven de scheiboog naar het noordtransept bevindt zich een geschilderde tracering. Het centrale motief in het driehoekig veld is een cirkel die door tegengekeerde segmenten verdeeld is in vier amandelvormen rond een ingezwenkt vierkant, waarin ineengestrengeld de letters I en S. De hoeken van het veld worden door dolkvormige visblazen ingenomen. Passerpunten en constructielijnen zijn, als bij een bouwkundig ontwerp, in de nog zachte kalklaag geprikt en gedrukt. De tracering is ingekleurd met witkalk en kalk gekleurd met gele oker en het geheel is gecontoureerd en gearceerd (schaduwen) met zwart. Onder deze schildering en haar pleistergrond bevindt zich hetzelfde zwart als op de scheiboog; daarbij aansluitend was de uiterste rand onder de tracering geschilderd als een steenblokkenverband met drievoudig gekleurde, rood-wit-rode voegen,
| 312 |
|
een decoratie die nu wit overgeschilderd is om de tracering geheel tot haar recht te laten komen. Afgezien van de drie genoemde zwarte bogen, hebben de ribben, scheibogen en muraalbogen van de kapel als oudste kleur Engels rood op een dunne laag kalk. Op alle onderlinge kruisingen van de ribben van het netgewelf, waar in hout en steen op de sluitstenen bladvormige gewelfschotels bevestigd zijn, wordt dit rood gecontrasteerd met andere kleuren: op de sluitsteen en aansluitend 12 cm van de ribben blauw. Aansluitend op het blauw verticaal op de ribben 3 cm gele oker, dan 7 cm lichtgroen met grijs afgezet. Daartegenaan 15 cm wit zonder contour, vervolgens het rood van de ribben. Op het buitenste vlakke profiel, van de ribben, grijpt het rood met spitse tanden in het wit in. Op de gordelbogen is de top rood met meer van zulke tanden in een strook wit, overigens dezelfde kleuropeenvolging: in de buitenste hollijst zijn daar bovendien groene noppen geschilderd. De vrijhangende bladvormen, sommige in hout, andere in steen, die de sluitstenen afdekken, zijn met bladgoud verguld op een rode en zwarte achtergrond.
Het rood van de ribben, gordel- en schildbogen daalt neer tot achter de inwendige kandelabervormige steunberen in de kapel, maar overigens bestaat alle opgaand werk uit witte pleister. De gewelfvelden dragen op de oudste witkalklaag een ornamentatie van bloemruikers welke vanuit de sluitstenen met zich omkerende bladeren uitwaaieren, fijn van vorm en rijk van kleur waar zij niet door beschadigingen van het metselwerk verminkt of verdwenen zijn, hetgeen met name in de westelijke traveeën het geval is. De stengels zijn groen, de bladeren groen met rode keerzijde, de bloemen lichtblauw, alle met zwarte contouren en zonder schaduwwerking door kleur of arcering. Uit de bij de restauratie in 1979 verwijderde jongere lagen bleek dat de gewelfvelden met hun bloemenversiering op een gegeven ogenblik geheel witgestuct zijn, dat de ribben opnieuw en toen geheel roodgeschilderd zijn, rood ook over de kleurige manchetten heen, en dat daarna nog vele witsellagen op de velden gevolgd zijn terwijl de ribben tenslotte geelgeschilderd werden. Ook op de muren en pijlers bevonden zich, vanaf de gewelfaanzet tot de vensterdorpels, dikke lagen kalk, als eerste een laag witkalk, daarna in zeven tot negen lagen witkalk gekleurd met gele oker, in een opbouw steeds geler en donkerder van kleur. Van de vloer tot de dorpels was in 1958 een laag latex aangebracht. Al die partijen zijn, met behoud van deugdelijke lagen, gesausd met kalk en lithopoon, verlijmd met alcasit en op kleur gebracht met gele oker en zwarte aardverfstoffen. Ondanks de gevonden zwartresten zijn de plinten voorshands niet opnieuw zwart geverfd. Het houten deurtje in de traptoren binnen de kapel is hersteld in zijn eerste kleuren, groen met rode biezen, met verwijdering van de verschillende jongere verflagen, achtereenvolgens okergeel, een dikke plamuurlaag, donkergroen, zwart, imitatie eiken, lichtbruin. Het hang- en sluitwerk was altijd zwart geschilderd geweest en kreeg opnieuw deze kleur.
| 313 |
| Noten | |
| 119. | Voor de vondsten en de restauratie: J. Schuurmans, Rapport van saus- en schilderrestauratiewerken in de Sacramentskapel, noordelijke zijbeuk van de kooromgang en de Antoniuskapel, januari 1979, in de Bouwloodsen. |
C. Peeters, De Sint Janskathedraal 's-Hertogenbosch (1985) 312-313
Paul le Blanc, Kerk in kleur (2002) 77-78
Jan van Oudheusden, De Sint Jan van 's-Hertogenbosch (1985) 35
C. Peeters, De Sint Janskathedraal 's-Hertogenbosch (1985) 312-313